Souvenir de Paris
Hoewel ik wist dat ik niet goed genoeg voorbereid was voor een marathon, stond ik op 4 april 2004 toch in Parijs aan de start. En met mij 34.500 anderen.
Ik wachtte met enkele clubgenoten op het startschot. Gespannen zoals steeds moest ik weer plassen. Op naar de toiletboxen waar eindeloze rijen lotgenoten wachtten. Ik zwaaide naar mijn clubgenoten. ‘Succes. Ik zie jullie bij de finish!’ Dat had ik beter niet kunnen doen.
De wc was duidelijk veelgebruikt maar ik was blij dat ik eindelijk mocht. Ik deed wat ik doen moest en kleedde me met zorg weer aan. Straks moest alles goed zitten. Ondergoed, shirtje, korte broek, rand van de sokken een keer omgeslagen, de zakdoek rechts in de broekband en mijn horloge op nul.
Ik sloot de deur van de kleine stinkende ruimte achter me en keek om me heen. De lange rijen waren verdwenen. Het slagveld lag vol plastic zakken, weggeworpen T-shirts, bidons, vuilniszakken en plastic flesjes. Was het startschot al gevallen? Verbijsterd zag ik hoe duizenden rennende benen zich verder en verder van mij verwijderden. Het gat werd vijfentwintig, dertig, vijfendertig, veertig meter voordat ik in beweging kwam.
Als een kangoeroe sprong ik tussen het afval door op weg naar de mat en probeerde daarbij de flessen met onsmakelijke gele inhoud te vermijden.
‘Piep-piep’ zei de mat tegen mijn chip en daarmee was ook ik officieel gestart. In mijn eentje vormde ik de achterhoede en ik kreeg menig medelijdende blik te verduren.
Van het lopen zelf herinner ik me nog maar weinig. Van de moeizame eerste zestien kilometer dacht ik dat het inloopproblemen waren. Daarna kwam kilometer zeventien. Die ging voorspoedig. Ik had intussen de nodige lopers gepasseerd. Zie je wel, je kunt het wel, hield ik me voor. Zo slecht was je voorbereiding dan toch niet. Mijn zelfvertrouwen groeide.
Helaas onterecht. De volgende kilometers was het werken, zwoegen, ploeteren, vechten en worstelen met het idee uit te stappen.
Voel ik mijn knie? Een beetje. Als het erger wordt, stop ik. Nee, niet stoppen. Doorlopen. Pas halverwege? Kom op, niet zeuren. Is dat mijn knie weer? En waarom heb ik zo weinig lucht? Onder het drinken mag je even wandelen. Hop, klaar met wandelen. Rennen. Als het zo moet kan ik beter stoppen. Nee, hoor je stopt niet. Uitlopen. Doorlopen. Hardlopen. Dat is toch geen hardlopen wat ik doe, dat is sukkelen. Zo meteen is er weer een drankpost. In elk geval doorsukkelen tot bij de drankpost. Kom op. Verder. Ik loop door. Nee, ik stop.
Eindelijk kwam de finish en de opluchting.
Maar niet voor lang, want waar stond onze bus?
In een brede straat met bomen. Daar had ik speciaal op gelet.
Hoeveel brede straten met bomen telt Parijs? En hoezeer lijken ze op elkaar als je 42 kilometer gelopen hebt?
Redelijk in paniek strompelde ik over de ene na de andere avenue. Mijn blik moet troebel geweest zijn toen een oud vrouwtje met een stok mij ‘redde’. Ze parkeerde mij op een stoel voor een bar en regelde voor ons allebei een kop thee met veel suiker. Daarna begon ze gezellig te keuvelen over Parijs, over Frans spreken, over mijn clubgenoten en over waar de bus zou kunnen staan. Ik kalmeerde terwijl zij een buschauffeur aanschoot voor meer informatie.
Opgetogen kwam ze terug. Ze bracht me naar mijn bus.
Als afscheid kreeg ik drie zoenen. En ze bewonderde mijn prestatie.
Hoe goed herinner ik me de hare.
Marleen Schmitz






